Augustus 2007 Telegraaf 13/08/07

Het "hele land moet leren reanimeren"" De Nederlandse Hartstichting wil dat Nederland massaal leert reanimeren. De Hartstichting begint daartoe een landelijke campagne, waarvoor volgende maand de aftrap wordt gegeven

 

   Nieuwe richtlijnen 2006
Nederlandse Reanimatie Raad brengt nieuwe richtlijnen 2006 voor reanimatie in Nederland uit.

Op 20 maart 2006 zullen tijdens een congres in de RAI in Amsterdam de nieuwe richtlijnen voor reanimatie worden gepresenteerd. Het betreft de handelingen zoals die dienen te worden uitgevoerd door leken hulpverleners en professionele hulpverleners, zowel buiten als in het ziekenhuis. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op de herziene richtlijnen die eerder door de Europese Reanimatie Raad zijn vastgesteld. Herziening van deze richtlijnen betekent dat onderwijsinstellingen in Nederland die reanimatieonderwijs verzorgen, hun instructiemateriaal moeten aanpassen en het onderwijs inrichten volgens deze nieuwe richtlijnen. Ook de professionele hulpverleners en leken, die in het verleden een reanimatiecursus volgden moeten zich laten herscholen om de handelingen naar de nieuwste wetenschappelijke inzichten uit te voeren.

Alle aspecten van de reanimatie zijn in deze nieuwe richtlijnen herzien en vaak vereenvoudigd. Enkele voorbeelden: leken moeten op andere wijze vaststellen dat sprake is van een hartstilstand, door niet meer naar de pols te voelen maar uitsluitend bewusteloosheid vast te stellen en te constateren dat de ademhaling niet normaal is. Het
belang van hartmassage wordt benadrukt, waarbij onderbrekingen tot een minimum moeten worden teruggebracht. Daarom zijn ook de handelingen gewijzigd bij z.g. defibrilleren (de elektrische stroomstoot waardoor het hart weer op gang kan worden gebracht). Nadat de bloedsomloop weer op gang is gebracht maar de patiënt nog bewusteloos is, dient deze gedurende 12-24 uur gekoeld te worden tijdens het verblijf op de intensive care unit. Dit wordt ook aanbevolen voor kinderen. Ook bij kinderen wordt het belang van herkenning en behandeling van ritmestoornissen onderkend hoewel die aanzienlijk minder vaak voorkomen dan ademhalingsstoornissen. De Automatische Externe Defibrillator (AED) speelt ook bij kinderen een rol en deze wordt aangepast voor gebruik bij kinderen. De toepassing van de AED op grote schaal wordt aanbevolen.

 

 

 

 

Actueel - AED in het nieuws!

 

 

 

 

 

 

 

Kamer wil defibrillator in politieauto
 

1-5-2005, bron: Nu.nl

DEN HAAG - De Tweede Kamer wil dat in alle politieauto's een defibrillator komt te liggen, uiterlijk in 2007. Met het apparaat is het mogelijk een elektrische schok aan het hart toe te dienen als er sprake is van levensbedreigende hartritmestoornissen. Minister Remkes (Binnenlandse Zaken) voelt er echter niets voor de politieauto's daarmee uit te rusten.
Volgens hem behoort het niet tot de kerntaken van de politie om op die manier hulp te verlenen. Bovendien zou landelijke invoering van het apparaat bij de politie nogal wat financiële en personele gevolgen hebben. Volgens de minister kost dat 5,8 miljoen euro. De training met de defibrillator zou bovendien neerkomen op structureel 45 arbeidsplaatsen.

Computerstem
Een meerderheid van de Tweede Kamer steunde donderdag een motie van het CDA om politieauto's uiterlijk per 2007 te voorzien van de zogeheten automatische externe defibrillator (AED). Volgens de partij kunnen daardoor jaarlijks tientallen tot enkele honderden mensenlevens worden gered. De AED geeft de gebruiker via een ingebouwde computerstem opdracht om een stroomstoot toe te dienen of te beginnen met hartmassage en mond-op-mondbeademing.

Gecompenseerd
Als de defibrillator in politieauto's leidt tot een zwaardere taak voor de politie, dan moet dat worden gecompenseerd door andere taken af te stoten, vinden CDA, VVD, D66, PvdA en LPF. De minister moet bepalen welke daarvoor in aanmerking komen.

Sympathiek
Remkes vindt het verzoek om defibrillators in politieauto's te plaatsen op zich sympathiek. Maar volgens hem is sprake van een principiële kwestie, omdat de kerntaken van de politie in het geding zijn. De politie moet zich richten op het handhaven van de rechtsorde en is geen "verlengde ambulancezorg", zei de minister. Zijn collega Hoogervorst (Volksgezondheid) had hem ook laten weten geen behoefte te hebben om alle politieauto's uit te rusten met een defibrillator.
Remkes wees er verder op dat burgemeesters verantwoordelijk zijn voor de hulpverlening en als beheerder van het politiekorps over de aanschaf van materiaal gaan. Ook is het volgens hem wenselijk dat defibrillators op meer plaatsen beschikbaar komen, zoals in winkels of in banken. De Raad van Hoofdcommissarissen is tegen de defibrillators in politieauto's, omdat agenten niet zijn opgeleid om medische handelingen te verrichten.

Hartstichting
De Nederlandse Hartstichting is blij met het initiatief van de Kamer en ziet de bezwaren niet. Een woordvoerder stelt dat het gebruik van de AED makkelijk is te leren en agenten nu ook al kunnen reanimeren. De politie rukt altijd uit bij een melding van een onwel persoon.
"De politie is vaak als eerste ter plekke en moet nu machteloos toekijken terwijl elke minuut telt. Jaarlijks hebben 16.000 mensen een circulatiestilstand waarbij defibrilleren vaak helpt", aldus de woordvoerder. Hij wijst erop dat bij de brandweer het verbod op de AED wel is opgeheven en dat onder bepaalde voorwaarden korpsen nu zelf bepalen of ze zo'n apparaat bezitten.

 

Medisch Contact 13/05/2005

RVZ wil defibrillator in politieauto

 

 
De Raad voor de Volksgezondheid (RVZ) wil dat politieauto’s worden uitgerust met defibrillatoren. De verantwoordelijke ministers, Remkes en Hoogervorst, voelen hier echter niets voor.
 
Door mensen met een plotselinge hartinfarct één minuut eerder een stroomstoot te geven dan momenteel gebeurt, kan het aantal doden in Nederland als gevolg van deze aandoening met 1500 tot 2000 per jaar worden verminderd, stelt RVZ. En omdat de politie vaak als eerste ter plekke is na een melding, is het belangrijk dat politieauto’s zijn uitgerust met een automatische externe defibrillator (AED). Het voordeel van een AED is dat deze door een getrainde leek te bedienen is; in het apparaat zit een computer die instructies over het gebruik geeft en de stroomstoten doseert.

Hoewel ook de Tweede Kamer op 28 april een motie heeft uitgesproken voor het uitrusten van politieauto’s met een AED, vindt minister Remkes van Binnenlandse Zaken dat het leveren van dit soort hulp geen kerntaak is van de politie. Daarnaast is voor hem een argument dat het uitvoeren van dit plan 5,8 miljoen kost. Verder is ook de Raad van Hoofdcommissarissen tegen defibrillators in politieauto’s omdat agenten niet zijn opgeleid om medische handelingen te verrichten. Minister Hoogervorst heeft eveneens laten weten geen behoefte te hebben aan defibrillatoren in politieauto’s.

De RVZ vindt dit een gemiste kans. ‘Zonder het te willen hebben over duizenden doden ligt hier een mogelijkheid om ernstige gezondheidsschade te voorkomen’, stelt een woordvoerster. ‘We willen opnieuw aandacht vragen voor dit probleem dat al eerder aangekaart is in de adviezen ‘Acute Zorg’ en ‘De GHORdiaanse knoop
Doorgehakt - Herkenbare geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen in de veiligheidsregio’. Deze adviezen heeft het kabinet echter geheel naast zich neergelegd.’ << TvV

 

 

 
November 2004
Bouwvakkers hebben een grotere kans op ongeval
 

Werknemers in de bouw hebben de grootste kans op een ernstig ongeval op het werk.
De bouw zorgt voor 6% van de banen, maar in deze sector komt 22% van de ongevallen voor.De arbeidsinspectie heeft in het jaar 2002 ruim 1700 ernstige ongelukken onderzocht.Ongelukken waarbij ernstig geestelijk en/of lichamelijk letsel plaats vond.De belangrijkste oorzaken zijn vallen en bekneld raken.Bij de verwondingen gaat het meestal om botbreuken 33%, amputatie van ledematen is een goede tweede met 19%.
Uit het rapport van de arbeidsinspectie blijkt dat uitzendkrachten naar verhouding vaker bij een ongeval betrokken zijn dan de werknemers in vaste dienst.De arbeidsinspectie vermoedt dat dit te maken heeft met gebrekkige kennis over het werk en onvoldoende toezicht.
Een andere conclusie uit het rapport is hoe meer ervaring , des te minder ongelukken.Werknemers die korter dan twee jaar in dienst zijn, lopen grotere risico’s, ongeacht de leeftijd.
Verder is de kans op een ongeval het grootst in een bedrijf met tussen de 20 en 100 werknemers.
Het totale aantal arbeidsongevallen in Nederland, dus inclusief de minder ernstige, bedraagt volgens het CBS naar schatting 170.000.


 
4 oktober 2004
Ongevallen landbouw kosten circa 3,8 miljoen
Bron: Ministerie van SZW
 

Arbeidsongevallen veroorzaken in de eerste plaats veel persoonlijk leed, maar leidt ook tot aanzienlijke kosten voor werkgever en de maatschappij. Het blijkt dat met name in de landbouw en bouw de ernstigere ongevallen voorkomen. De kosten van medische hulp voor arbeidsongevallen, zoals ziekenhuisopname en fysiotherapie, worden voor deze sectoren geschat op: 3,8 miljoen voor de landbouw en 7,2 miljoen voor de bouw (ter vergelijking: de medische kosten voor ongevallen bij banken en verzekeringsmaatschappij komt uit op 100.000 euro).

Dat staat in de 'Arbobalans 2004: arbeidsrisico's, effecten en maatregelen' die staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer heeft gestuurd.

In meer dan de helft van de bedrijven in de landbouw staan werknemers regelmatig bloot aan schadelijk geluid. Van de werknemers die vaak blootstaan aan schadelijk geluid draagt ruim eenderde soms of zelden tot nooit gehoorbescherming.

Ongeveer 12% van de werknemers werkt regelmatig tot heel vaak met trillende
apparaten en/of voertuigen. In de sectoren landbouw en bouw is de belasting aan zowel lichaamstrillingen als aan hand-armtrillingen hoog. In deze sectoren worden ook relatief veel RSI-klachten gemeld.

Zie voor meer informatie de site van het ministerie van SZW.


 
Reanimatie
Bron: Reformatorisch Dagblad
 

Van de Nederlandse bevolking van achttien jaar en ouder heeft 35 procent een reanimatiecursus gevolgd. Dat blijkt uit onderzoek van TNS NIPO onder 1163 mensen in opdracht van de Nederlandse Hartstichting.

Volgens een woordvoerster is het grote aantal mensen dat leerde hoe te reanimeren te danken aan het grote netwerk van de Hartstichting. „We zijn hier al dertig jaar mee bezig. Mensen kunnen tegenwoordig om de hoek een cursus volgen.” Eenderde van degenen die nog geen cursus volgden, gaf volgens het onderzoek aan dit wel van plan te zijn. De groep 55-plussers is ondervertegenwoordigd bij het volgen van een reanimatiecursus. De Hartstichting gaat de groep extra aanspreken, omdat zij de grootste kans hebben met een hartstilstand geconfronteerd te worden.

Nederlanders weten over het algemeen goed wat ze moeten doen als iemand een hartstilstand krijgt: 88 procent belt het alarmnummer 1-1-2, 50 procent begint direct met reanimeren en 35 procent gaat hulp halen.


 
17 augustus 2004
Brandweerlieden mogen toch eerste hulp verlenen
Bron: Wilbert de Vries
 

Speciaal daartoe opgeleide brandweerlieden mogen in noodgevallen worden ingezet om medische hulp te verlenen.

Dit schrijft minister Hoogervorst (Volksgezondheid) dinsdag in een brief aan Hulpverleningsregio Zuid-Oost Brabant, zo meldt persbureau ANP.

Deze hulpverleners, zogeheten 'first responders', komen vaak al voor de ambulance ter plaatse, maar mochten tot nu toe niet eerste hulp verlenen. Deze hulp kan soms levensreddend zijn. Zo gauw de ambulance arriveert, nemen zij de hulp over van de brandweer.

De centrale van Gemert-Bakel had al een afspraak met de brandweer. Deze hadden speciaal opgeleide brandweermensen die tegelijk met de ambulances uitrukten. Omdat zij sneller (binnen 4,3 minuut gemiddeld) ter plaatse zijn, verlenen zij hulp tot de ambulance of een arts arriveert.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg was echter tegen het inzetten van niet-medici structureel voor professionele gezondheidszorg en tikte de Brabantse centrale meldpost herhaaldelijk op de vingers. Burgemeester J. van Maasakkers was echter niet van plan ermee te stoppen, zolang de ambulances er niet op tijd waren.

Inmiddels erkent de minister dat ambulances in de regio de norm van maximaal 15 minuten aanrijtijd niet halen. Hoogervorst is daarom van mening dat de brandweerlieden toch mogen worden ingezet, maar alleen onder bepaalde voorwaarden. Die voorwaarden worden momenteel nog uitgewerkt.


 
13 September 2004
Antwoorden kamervragen over onveiligheid van crèches
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
 

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

Uw brief Ons kenmerk 30 augustus 2004 AV/KO/2004/61861 nr. 20030420240
Onderwerp Datum
Kamervragen van het lid Smilde 13 september 2004

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het lid Smilde (CDA) over onveiligheid van crèches.

De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,

(mr. A.J. de Geus)

Antwoorden op vragen van het lid Smilde (CDA) aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over onveiligheid van crèches. (nr. 20030420240)


1.
Kent u het artikel "Crèches te vaak onveilig"?1

Ja.

2.
Bent u op de hoogte van het exacte aantal ongevallen in kinderdagverblijven? Zo ja, kunt u hierover nadere informatie verstrekken? Zo neen, is het mogelijk alsnog een inventarisatie te maken van de ongevallen die zich, zoals uit het artikel blijkt, voordoen in crèches, zowel wat betreft aantallen als type ongevallen?

Stichting Consument en Veiligheid houdt via het Letsel Informatie Systeem (LIS) de ontwikkelingen in ongevallen en letsels in Nederland continu bij. Met dit systeem wordt informatie over patiënten die zich melden op de spoedeisende hulpafdelingen van ziekenhuizen geregistreerd. Op deze manier heeft Consument en Veiligheid gegevens verkregen over ongevallen binnen de sector kinderopvang. Het aantal van 2.500 ongevallen, zoals vermeld in de Telegraaf van 26 augustus jl., is afkomstig uit het LIS. Het gaat echter niet om 2.500 jaarlijkse ongevallen bij baby's en peuters binnen de dagopvang zoals het artikel in de Telegraaf vermeldt, maar om ongevallen bij zowel dagopvang als buitenschoolse opvang waarvoor spoedeisende hulp van een ziekenhuis noodzakelijk was. Dit betreft circa 2% van alle ongelukken bij kinderen tot 12 jaar waarvoor spoedeisende hulp nodig is. Het grootste deel van de 2.500 ongevallen binnen de kinderopvang (78%) betreft ongelukken binnen het gebouw; 22% zijn ongelukken buiten het gebouw, ongelukken die plaatsvinden tijdens de buitenschoolse activiteiten waaronder sportactiviteiten. De meeste ongevallen zijn valletsels. Kinderen vallen bijvoorbeeld tijdens het spelen, ze vallen ergens tegenaan (bijvoorbeeld tegen een kast of tafel) of ze vallen ergens vanaf (bijvoorbeeld van een stoel, fiets, speeltoestel of glijbaan). Iets meer dan de helft van deze ongevallen zijn hoofdwonden. De verhouding ongevallen bij dagopvang en buitenschoolse opvang is niet bekend. Aangezien de 2.500 ongevallen in het jaar 2000 zijn geregistreerd, voert Consument en Veiligheid op dit moment een nieuwe monitor uit. Dan wordt ook een uitsplitsing naar ongevallen bij dagopvang en buitenschoolse opvang gemaakt.


3.
Hoe liggen deze cijfers voor de buitenschoolse opvang?

Zie het antwoord op vraag 2.

4.
In hoeverre kan de in Wet kinderopvang verplichte risico-analyse de daadwerkelijke risico's op ongelukken doen afnemen? Is het ook mogelijk om in deze risico-analyse de verplichting tot het vermelden van een ongeval op te nemen?


1 De Telegraaf, 26 augustus 2004

De Wet kinderopvang verplicht de houder van een kindercentrum beleid te voeren dat ertoe leidt dat de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd. De wet regelt dat de houder hiertoe in een risico-inventarisatie schriftelijk vastlegt welke risico's de opvang van kinderen met zich meebrengt. Het opstellen van een risico-inventarisatie houdt in dat de veiligheids- en gezondheidsrisico's die kinderen bij de opvang kunnen lopen in kaart worden gebracht -waarbij wordt uitgegaan van het gedrag van kinderen- en wordt vastgelegd hoe met deze risico's wordt omgegaan2. Verwacht kan worden dat met het opstellen, bespreken en up to date houden van de risico-inventarisaties voor veiligheid en gezondheid de bewustwording van risico's wordt vergroot en dat de kans op ongelukken hiermee afneemt.
Zoals bekend is bij gelegenheid van de behandeling van de Wet kinderopvang door de Tweede Kamer met het aannemen van het amendement Örgü c.s. de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur kwaliteitseisen te stellen komen te vervallen. Daarom is het thans niet mogelijk kinderopvangondernemers wettelijk te verplichten binnen de risico-inventarisatie ongevallen te vermelden.

2 Ter ondersteuning van kinderopvangondernemers zijn een model risico-inventarisatie veiligheid en een model risico-inventarisatie gezondheid opgesteld. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

Uw brief Ons kenmerk 30 augustus 2004 AV/KO/2004/61861 nr. 20030420240
Onderwerp Datum
Kamervragen van het lid Smilde 13 september 2004

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het lid Smilde (CDA) over onveiligheid van crèches.

De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,

(mr. A.J. de Geus)

Antwoorden op vragen van het lid Smilde (CDA) aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over onveiligheid van crèches. (nr. 20030420240)


1.
Kent u het artikel "Crèches te vaak onveilig"?1

Ja.

2.
Bent u op de hoogte van het exacte aantal ongevallen in kinderdagverblijven? Zo ja, kunt u hierover nadere informatie verstrekken? Zo neen, is het mogelijk alsnog een inventarisatie te maken van de ongevallen die zich, zoals uit het artikel blijkt, voordoen in crèches, zowel wat betreft aantallen als type ongevallen?

Stichting Consument en Veiligheid houdt via het Letsel Informatie Systeem (LIS) de ontwikkelingen in ongevallen en letsels in Nederland continu bij. Met dit systeem wordt informatie over patiënten die zich melden op de spoedeisende hulpafdelingen van ziekenhuizen geregistreerd. Op deze manier heeft Consument en Veiligheid gegevens verkregen over ongevallen binnen de sector kinderopvang. Het aantal van 2.500 ongevallen, zoals vermeld in de Telegraaf van 26 augustus jl., is afkomstig uit het LIS. Het gaat echter niet om 2.500 jaarlijkse ongevallen bij baby's en peuters binnen de dagopvang zoals het artikel in de Telegraaf vermeldt, maar om ongevallen bij zowel dagopvang als buitenschoolse opvang waarvoor spoedeisende hulp van een ziekenhuis noodzakelijk was. Dit betreft circa 2% van alle ongelukken bij kinderen tot 12 jaar waarvoor spoedeisende hulp nodig is. Het grootste deel van de 2.500 ongevallen binnen de kinderopvang (78%) betreft ongelukken binnen het gebouw; 22% zijn ongelukken buiten het gebouw, ongelukken die plaatsvinden tijdens de buitenschoolse activiteiten waaronder sportactiviteiten. De meeste ongevallen zijn valletsels. Kinderen vallen bijvoorbeeld tijdens het spelen, ze vallen ergens tegenaan (bijvoorbeeld tegen een kast of tafel) of ze vallen ergens vanaf (bijvoorbeeld van een stoel, fiets, speeltoestel of glijbaan). Iets meer dan de helft van deze ongevallen zijn hoofdwonden. De verhouding ongevallen bij dagopvang en buitenschoolse opvang is niet bekend. Aangezien de 2.500 ongevallen in het jaar 2000 zijn geregistreerd, voert Consument en Veiligheid op dit moment een nieuwe monitor uit. Dan wordt ook een uitsplitsing naar ongevallen bij dagopvang en buitenschoolse opvang gemaakt.


3.
Hoe liggen deze cijfers voor de buitenschoolse opvang?

Zie het antwoord op vraag 2.

4.
In hoeverre kan de in Wet kinderopvang verplichte risico-analyse de daadwerkelijke risico's op ongelukken doen afnemen? Is het ook mogelijk om in deze risico-analyse de verplichting tot het vermelden van een ongeval op te nemen?


1 De Telegraaf, 26 augustus 2004

De Wet kinderopvang verplicht de houder van een kindercentrum beleid te voeren dat ertoe leidt dat de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd. De wet regelt dat de houder hiertoe in een risico-inventarisatie schriftelijk vastlegt welke risico's de opvang van kinderen met zich meebrengt. Het opstellen van een risico-inventarisatie houdt in dat de veiligheids- en gezondheidsrisico's die kinderen bij de opvang kunnen lopen in kaart worden gebracht -waarbij wordt uitgegaan van het gedrag van kinderen- en wordt vastgelegd hoe met deze risico's wordt omgegaan2. Verwacht kan worden dat met het opstellen, bespreken en up to date houden van de risico-inventarisaties voor veiligheid en gezondheid de bewustwording van risico's wordt vergroot en dat de kans op ongelukken hiermee afneemt.
Zoals bekend is bij gelegenheid van de behandeling van de Wet kinderopvang door de Tweede Kamer met het aannemen van het amendement Örgü c.s. de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur kwaliteitseisen te stellen komen te vervallen. Daarom is het thans niet mogelijk kinderopvangondernemers wettelijk te verplichten binnen de risico-inventarisatie ongevallen te vermelden.

2 Ter ondersteuning van kinderopvangondernemers zijn een model risico-inventarisatie veiligheid en een model risico-inventarisatie gezondheid opgesteld.


 
17 augustus 2004
Geen vermindering ongevallen in Australië na verplichte fietshelm
Bron: Velorution
CTC: The BMA and cycle helmets
 

Een interessant grafiekje van de Britse fietsorganisatie CTC: Australië stelde in 1994 de fietshelm verplicht, maar dat heeft niet geleid tot een beduidende vermindering van het aantal fietsongevallen.

De oorzaak is onduidelijk. Een mogelijke verklaring is 'riskcompensatie': fietsers wanen zich veilig met een fietshelm en worden te overmoedig.


 

 
 
 
    realisatie website >>